Meten geeft ruimte

Aldo Bouman (DCMR Milieudienst Rijnmond) en Yulita Muspitasari (Rijkswaterstaat WVL)

Monitoring en evaluatie na een mer-plichtig besluit is wettelijk verplicht, maar het wordt in de praktijk lang niet altijd uitgevoerd. DCMR en Rijkswaterstaat WVL laten daarmee zien wat er gebeurt als je het wél serieus neemt: snellere en betere besluitvorming, én minder weerstand.

Wie een mer-plichtig besluit neemt, is verplicht om daarna te monitoren en evalueren of de voorspelde milieueffecten ook echt optreden. In de praktijk gebeurt dat lang niet altijd. Initiatiefnemers zien er tegenop, gemeenten hebben beperkte capaciteit, en directe consequenties bij het uitblijven van monitoring en evaluatie zijn er nauwelijks.

Aldo Bouman kijkt er na vijftien jaar praktijkervaring niet meer van op. “Het verbaast me niet meer”, zegt de teammanager bij DCMR Milieudienst Rijnmond. “Maar je hebt wel gelijk als je zegt: het is eigenlijk wonderlijk.” Yulita Muspitasari, adviseur bij Rijkswaterstaat WVL, herkent het beeld vanuit haar eigen onderzoek. Voor haar scriptie deed ze een vergelijkend onderzoek naar de toepassing van monitoring en evaluatie bij mer-procedures in Nederland, IJsland en Denemarken, specifiek bij energie-infrastructuurprojecten. Haar conclusie: regels en voorschriften bestaan, maar de daadwerkelijke toepassing blijft beperkt.

Monitoring en evaluatie wordt aan het einde van een project te vaak gezien als sluitpost: de uitvoering is gedaan, de vergunning verleend, en dan is er ineens ook nog een evaluatieplicht. Die verdwijnt dan snel naar de achtergrond.

Toch zijn Bouman en Muspitasari er allebei van overtuigd dat het anders kan, en dat het loont. Ze maken deel uit van een kennisgroep van professionals die zich inzetten voor een betere toepassing van monitoring en evaluatie binnen de mer-praktijk. De groep startte in 2024 en brengt organisaties bij elkaar die vanuit verschillende invalshoeken met het onderwerp bezig zijn: omgevingsdiensten zoals DCMR, kennisinstellingen zoals Rijkswaterstaat WVL, universiteiten, adviesbureaus, gemeenten en de Commissie voor de mer. In 2025 kwamen ze twee keer bij elkaar om ervaringen en werkwijzen te delen en de aanpak verder te ontwikkelen. De groep groeit gestaag.

Versnelling door vertrouwen

Het overtuigendste bewijs dat monitoring en evaluatie echt iets oplevert, haalt Bouman uit zijn eigen praktijk. Bij de aanleg van de Tweede Maasvlakte, onderdeel van het project Mainportontwikkeling Rotterdam, hadden maatschappelijke organisaties stevige kritiek. Bezwaarprocedures stapelden zich op. Het gevaar bestond dat het project zou verzanden, zoals de A4 door Midden-Delfland destijds veertig jaar lang in procedures bleef steken.

Bij de Tweede Maasvlakte kozen de betrokken bevoegde gezagen, de ministeries van IenW en van LVVN, de provincie Zuid-Holland en de gemeente Rotterdam, samen met Havenbedrijf Rotterdam, voor een andere aanpak. Ze sloten een convenant met de maatschappelijke partijen en zegden toe de mer daadwerkelijk te gaan monitoren en evalueren. De resultaten zouden periodiek worden besproken aan de zogeheten Tafel van Borging. In ruil daarvoor trokken de maatschappelijke organisaties hun bezwaren in. “Inzet van monitoring en evaluatie vesnelde de besluitvorming aanzienlijk. Ik denk dat ze misschien anders nu nog bezig waren met aanleggen”, zegt Bouman.

Dat is precies de meerwaarde die monitoring en evaluatie kan hebben: niet alleen controleren of milieueffecten meevallen, maar ook vertrouwen creëren bij betrokken partijen en daarmee ruimte maken voor snellere besluitvorming.

"Inzet van monitoring en evaluatie vesnelde de besluitvorming aanzienlijk."

Een bredere blik onder de Omgevingswet

Vroeger, onder de Wet milieubeheer, lag de focus van mer-evaluatie vooral op de vraag of de voorspelde milieueffecten in de praktijk niet erger uitvielen dan verwacht. Onder de Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking trad, is de doelstelling breder geworden. Monitoring en evaluatie zijn nu expliciet onderdeel van de beleidscyclus. Het gaat niet meer alleen om de vraag of milieueffecten mee- of tegenvallen, maar ook of een besluit zijn eigen doelen haalt. Bouman geeft een voorbeeld: “Als je een woonwijk realiseert, wil je ook weten of het inderdaad een prettige woonwijk is geworden.” Dat maakt monitoring interessanter voor gemeenten en ontwikkelaars. In een transformatiegebied als Havenstad in Amsterdam kunnen projectontwikkelaars op basis van monitoringsdata zien waar milieuruimte vrijkomt als bedrijven verdwijnen. Dat bepaalt waar gebouwd kan worden. Monitoring wordt zo een stuurinstrument, in plaats van een verplichte terugblik.

Selectief en slim inzetten

Monitoring en evaluatie kost tijd en geld. Om het eenvoudiger te maken ontwikkelde DCMR daarom in opdracht van de provincie Zuid-Holland een handreiking voor zinvolle mer-evaluatie: een beslisboom die helpt bepalen wanneer een monitoring- en evaluatietraject meerwaarde heeft. Criteria en randvoorwaarden zijn onder meer: zijn er negatieve effecten voorspeld? Bestaat er maatschappelijke onrust? Is er handelingsperspectief voor het bevoegd gezag als bijsturen nodig blijkt? En wegen de kosten op tegen de mogelijke baten?

“Zet het selectief in”, adviseert Bouman. “Maar als je het doet, doe het dan goed.” De handreiking is beschikbaar binnen de kennisgroep. Wie monitoring opneemt in een vergunning, kan bovendien de kosten bij de initiatiefnemer neerleggen in plaats van bij de overheid.

Muspitasari voegt daar vanuit haar rol als toetser aan toe dat er ook veel misverstanden bestaan over wat monitoring en evaluatie in de praktijk vraagt. “Mensen denken vaak dat je altijd iets volledig nieuws moet opzetten: nieuwe metingen, nieuw onderzoek. Maar er zijn veel bestaande, openbaar beschikbare gegevens die je mogelijk kunt gebruiken.” Een ander misverstand is dat het project de last volledig alleen moet dragen. De resultaten van monitoring kan ook worden gedeeld met het publiek, bijvoorbeeld via citizen science, wat het proces samenwerkingsgericht maakt en extra inzichten oplevert. Rijkswaterstaat WVL beoordeelt mer-studies en controleert daarbij of monitoring en evaluatie goed is opgenomen, ook bij grensoverschrijdende projecten. “Als het in het plan staat, is de kans groter dat het gebeurt.”

"Er zijn veel bestaande, openbaar beschikbare gegevens die je mogelijk kunt gebruiken."

Langzaam kantelt het beeld

De Commissie voor de mer speelt een belangrijke rol als aanjager. Zij adviseren de laatste jaren consequent om bij mer-plichtige besluiten na te denken over monitoring.

Langzaam groeit het bewustzijn dat monitoring en evaluatie geen bureaucratische last is, maar een instrument dat besluitvorming versnelt, risico's tijdig signaleert en draagvlak vergroot. Zeker bij complexe projecten met een lange looptijd loont het: kennis die in een eerdere fase is opgebouwd, is direct bruikbaar voor de volgende. De kennisgroep waarin Bouman en Muspitasari deelnemen, is een concreet bewijs daarvan. “Soms heb je een open deur en stuit je toch op onwil”, zegt Bouman. “Maar als het lukt, zie je meteen wat het instrument oplevert: rust in het proces, betere besluiten en minder gedoe achteraf.”